Versterkingsagenda Taal: Wie gaat lesgeven in het vmbo?

Afgelopen vrijdag verscheen de Versterkingsagenda Taal en andere basisvaardigheden waarmee staatssecretaris Tielen de leesvaardigheid van leerlingen wil verbeteren. Aanleiding is de Staat van het Onderwijs 2026 waarin inspecteur-generaal Alida Oppers de alarmbellen weer laat rinkelen: “Op te veel scholen wordt matig onderwijs gegeven. Lesweken worden niet effectief benut. Ongeveer 30% van de lestijd gaat verloren door gebrek aan orde.” Vorige maand deed PISA-2025 er nog een schepje bovenop. De leesvaardigheid van Nederlandse vijftienjarigen is opnieuw fors gedaald, waardoor twee op de vijf leerlingen het risico loopt om onvoldoende geletterd het onderwijs te verlaten.
Volgens staatssecretaris Tielen moet de lat omhoog en ze heeft daarom scholen gevraagd het onderwijsgeld evidence-informed in te zetten om basisvaardigheden binnen drie jaar te verbeteren; € 12,1 miljard voor po en € 9,5 miljard voor vo.

Het ontbreekt onderwijs niet aan geld. De afgelopen jaren zijn miljarden toegevoegd aan het onderwijsbudget, specifiek om taal en rekenen te verbeteren. Het resultaat is wrang. Er kwamen niet meer bevoegde leraren voor de klas, maar wel een explosieve groei van het aantal ‘onderwijsprofessionals’: onderwijskundigen, adviseurs en inspecteurs die zelf niet lesgeven. Dat levert grafieken op die even bizar als veelzeggend zijn: het aantal adviseurs stijgt, de kwaliteit daalt.

Het enorme budget van het Nationaal Programma Onderwijs uit 2021 van maar liefst € 5,8 miljard euro voor het wegwerken van taal- en leesachterstanden riep bij mij belangrijke vragen op:

De enorme financiële injecties hebben niet tot kwaliteitsverbetering geleid. Door de vage bekostigingsstructuur, lumpsum, is doelmatige besteding van het onderwijsgeld nauwelijks controleerbaar. Volgens president van de Algemene Rekenkamer Pieter Duisenberg is in de begroting van het Ministerie van OCW niet helder welke resultaten de minister met het onderwijsgeld wil bereiken. Het gaat in 2026 in totaal om 60 miljard euro.

Grote verschillen tussen schooltypen

Nederland eindigt op één PISA-ranglijst wél bovenaan: die van de verschillen tussen scholen. Nergens zijn die verschillen zo groot. Bij de presentatie van PISA-2022 wordt Nederland expliciet genoemd: “De prestaties van scholen in Nederland verschillen sterk van elkaar“.

Fragment van de presentatie PISA-2022 met Nederland op de eerste plaats.

Uit het onlangs gepubliceerde PISA-rapport blijkt dat de kansenongelijkheid verder is toegenomen. Nederland scoort gemiddeld 23 punten lager dan het EU-gemiddelde en tussen vwo en vmbo basis zit een kloof van maar liefst 236 punten. De infographic laat enkele opvallende resultaten uit PISA-2025 zien.

Infographic gegenereerd door chatGPT.

Het is misschien niet eerlijk om de prestaties van de Nederlandse schooltypen te vergelijken met de best presterende onderwijslanden van Europa. Maar het is belangrijk op te merken dat in deze landen geen vroege selectie plaatsvindt en dat er geen onderscheid wordt gemaakt in schooltypen. Alle leerlingen zitten tot 15 jaar samen in de klas. Nederland selecteert leerlingen zeer vroeg op 11-jarige leeftijd.
Wat opvalt in PISA-2025 is dat het vwo gelijke tred houdt met de best presterende onderwijslanden van Europa. Vwo-leerlingen zijn zonder meer vaardige lezers (553 punten). Vmbo kader en vmbo basis blijven ver achter; een zeer grote groep zwakke lezers.

Wie gaat lesgeven in het vmbo?

Mijn ervaring is dat vwo-leerlingen de afgelopen dertig jaar niet minder zijn gaan presteren. Het biologiecurriculum in vwo is kennisrijk, het centraal examen stelt hoge eisen, en de concept-context benadering vraagt juist steeds meer leesvaardigheid van vwo-leerlingen. Slagingspercentages in het vwo liggen al jaren rond de negentig procent.
Biologie lesgeven in het vmbo is een ander verhaal. In het vmbo wordt minder gewerkt met de concept-context benadering. Vmbo-leerlingen worden daardoor minder uitgedaagd om kennis in samenhang te begrijpen en toe te passen. Het eindexamen in het vmbo is vooral gericht op reproductie en minder op het ontwikkelen van leesvaardigheid.

Een ander belangrijk verschil met vwo zijn de executieve functies van vmbo-leerlingen. Planning, impulsbeheersing, doorzettingsvermogen, emotieregulatie zijn bij veel vmbo’ers minder ontwikkeld. In de les ben ik daardoor meer bezig met gedragsturing en klassenmanagement.
De vroege selectie en de segregatie in homogene niveaugroepen hebben grote gevolgen voor het vmbo. In een volledig homogene vmbo-klas ontstaat eerder een negatieve groepsdynamiek, waarbij leerlingen elkaars afleiding, ongedurigheid of frustratie versterken. De sociale en cognitieve ‘buffer’ van leerlingen die sterk zijn in zelfregulatie of planmatig werken ontbreekt. Het continu begeleiden van een hele groep die moeite heeft met executieve functies vraagt extreem veel energie van docenten.
Volgens mij is dit een belangrijke reden waarom lesgeven in het vmbo minder populair is dan lesgeven in havo of vwo. Bij de verdeling van de lessen op mijn school is jaarlijks dan ook de vraag: Wie gaat lesgeven in het vmbo?

Er zijn meer factoren waarom lesgeven op het vmbo minder populair is. Zo rapporteert de Inspectie van het Onderwijs opvallende verschillen in welbevinden tussen vwo en vmbo. Op vwo scoort 80% van de leerlingen bovengemiddeld op zowel hun welbevinden als hun algemene veiligheidsbeleving op school. Vmbo-leerlingen ervaren hun welbevinden en sociale veiligheid veel lager dan vwo-leerlingen. Binnen het vmbo kader scoort slechts 20% van de leerlingen bovengemiddeld.
De Inspectie publiceert ook cijfers over schorsingen en verwijderingen. De meeste schorsingen en verwijderingen vinden plaats op het vmbo. Binnen de verschillende leerwegen vallen de hoogste aantallen binnen vmbo basis en vmbo kader, enkele honderden per jaar. Op het vwo gaat het om enkele tientallen schorsingen en verwijderingen per jaar. Ernstige escalaties die leiden tot officiële meldingen bij de inspectie zijn hier zeldzaam.

De optelsom van deze factoren verklaart grotendeels waarom het vmbo te kampen heeft met de grootste tekorten aan bevoegde leraren. Uit de Integrale Personeels Telling Onderwijs blijkt dat het percentage bevoegd gegeven lessen in het vmbo is gedaald naar 80%. Het lerarentekort kan de problemen met leesvaardigheid verder vergroten. Wanneer lessen uitvallen, klassen worden samengevoegd of onbevoegde docenten langdurig voor de klas staan, komt de continuïteit van het onderwijs onder druk te staan. Juist leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, ondervinden daarvan de gevolgen.

Latere selectie in de Cleverlands

De Versterkingsagenda Taal heeft hoge verwachtingen en wil binnen drie jaar een significante stijging van leesvaardigheid. Maatregelen zijn een verdiepende probleemanalyse die in 2027 wordt afgerond en “science for policy sessies” met partners uit het veld. Dit moet voor de zomer van 2027 leiden tot een heldere aanpak om taalvaardigheid in het vmbo te bevorderen.
Ik betwijfel of dat een trendbreuk oplevert in PISA-2029. Het zou mij niet verbazen als ik de trendlijnen in mijn grafiek met onderwijsadviseurs en onderwijskwaliteit gewoon kan doortrekken, van 2025 naar 2029.

Wat zou er dan wel moeten gebeuren om de leesvaardigheid in het vmbo te verbeteren?
In elk geval meer leraren in het vmbo. In 2023 wilde minister van Onderwijs Dennis Wiersma het lerarentekort aanpakken door een fundamentele herijking van het besturingsmodel. De kern van zijn strategie was dat OCW er alles aan zou doen om het werk van leraren zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Misschien moet staatssecretaris Tielen zijn ‘lerarenstrategie’ weer van stal halen. Dat zou meteen tegemoetkomen aan de Rekenkamer, die al sinds 2016 uit de jaarrekeningen van schoolbesturen niet kan opmaken waaraan de lumpsum wordt besteed.

Onderwijswetenschapper Jacquelien Bulterman-Bos benadert het lerarentekort vanuit een andere invalshoek. Zij stelt voor dat onderwijsprofessionals minimaal tien procent van hun tijd zelf lesgeven. Met de parttime inzet van onderwijskundigen kan volgens haar het lerarentekort worden verminderd en ontstaat er ruimte om samen te leren op de werkvloer. Bulterman-Bos is zelf in het vmbo basis les gaan geven en ontdekte dat voor de klas staan bepaald niet het gemakkelijkste werk is, maar wel de essentie vormt van onderwijs. Zij pleit er in haar nieuwe boek “Wetenschapper voor de klas” dan ook voor dat alle onderwijsprofessionals voor de klas gaan staan, ook onderwijsadviseurs.

Deze maatregelen laten het structurele probleem van de vroege selectie echter ongemoeid. Een interessant boek over vroege selectie en kansenongelijkheid is ‘Cleverlands‘. Daarin laat Lucy Crehan zien dat in de best presterende onderwijslanden ter wereld selectie wordt uitgesteld en resultaten van minder goed presterende leerlingen verbeteren zonder dat dit ten koste gaat van sterk presterende leerlingen.
Ierland, Verenigd Koninkrijk en Finland kenden ooit ook schooltypen zoals Nederland, maar hebben dit in de jaren ’70 afgeschaft. Sindsdien zitten alle leerlingen tot 15 jaar samen in de klas. In Estland is dat het geval sinds hun onafhankelijkheid in 1991. In de best presterende landen van Europa wordt nooit gevraagd: Wie gaat lesgeven in het vmbo?

De Onderwijsraad pleit al langere tijd voor het uitstellen van het selectiemoment. De raad stelt dat vroege selectie in het Nederlandse onderwijsstelsel schadelijk is voor de kansengelijkheid, capaciteiten en ontwikkeling van leerlingen.

Staatssecretaris Tielen wil dat het onderwijsgeld evidence-informed wordt ingezet om taalvaardigheid te verbeteren. Wat let haar om de selectie landelijk uit te stellen tot na een brede, driejarige brugperiode in het voortgezet onderwijs?

Cleverlands!